Waardeermijnspullen is de marktleider van Nederland met kwalitatieve waarderingsrapporten. Dit komt door ons exclusieve netwerk van experts, welke bestaat uit hoogstaande specialisten en gecertificeerde taxateurs.

De kunstmarkt wordt vaak gezien als een lastig toegankelijke markt en het proces om kunst te laten taxeren is zeer tijdrovend en ingewikkeld. Onze experts zijn of werkzaam voor de grote veilinghuizen of zelf kunsthandelaar (geweest) of ze bekleden functies bij de grootste kunstbeurzen ter wereld.

WaardeerMijnSpullen koopt of verkoopt zelf geen objecten, waardoor onze experts volledig onafhankelijk en onpartijdig te werk kunnen gaan.

Door de enorme motivatie van ons team en omdat we via internet werken  kunnen we u garanderen dat u, na het invullen van uw gegevens, binnen twee werkdagen uw waarderingsrapport op het door u opgegeven mail adres ontvangt.

Vraag nu een waardering aan!

TAXATIES EN WAARDERINGEN VAN MEUBELEN

Onder deze noemer vallen veel verschillende gebruiksvoorwerpen van eenvoudig tot uiterst verfijnd en kostbaar uitgevoerd. Het belangrijkste kenmerk is dat ze voornamelijk van hout gemaakt zijn:

Zo zijn er de kasten, kisten, tafels, zitmeubelen ( stoelen, krukken en banken), slaapkamer-ameublementen, bureaus, maar ook linnenpersen, wandrekken enzovoorts, die door ons getaxeerd kunnen worden.
Dit alles in vele soorten hout, vormen en in verschillende stijlen en van diverse leeftijden.
Meubelen hebben niet het eeuwige leven. Daarom zijn er nog maar weinig originele oude meubelen overgebleven. Aangezien hout van levend materiaal is gemaakt is het ook gevoelig voor invloeden van buitenaf.
Hout blijft “werken”, het kan krimpen en uitzetten waardoor scheuren kunnen ontstaan of het hout kan kromtrekken. Slijtage van een houten meubel door het gebruik is eveneens een normaal verschijnsel.
Meubelen moeten natuurlijk ook aan de dan heersende smaak voldoen. Vanwege dit laatste punt zijn veel oude meubelen verbouwd of zijn simpelweg in de open haard terecht gekomen.

Onze meubelexperts moeten al deze aspecten in hun beoordeling meenemen.

De oudste, nog bewaard gebleven meubelen, komen uit de vijftiende eeuw en zijn in Gotische stijl gemaakt, de stijl uit de late Middeleeuwen. Het zijn zeer zeldzaam voorkomende meubelen. En dat vraagt vanzelfsprekend om een specifieke expertise//waardering.
Constructief werd er voor het eerst met raamwerken (regels en stijlen) met daarin panelen gewerkt, het zogenaamde vergaarwerk.
De meubelen werden hierdoor veel lichter en de panelen konden fraai met snijwerk van spitsbogen of briefpanelen worden versierd, maar ook fijn gestoken ajourwerk komt voor zowel in notenhout als in eikenhout.
De credens of tresoor ontstaat, een nieuw soort kast die ontwikkeld is uit de kist. Voordien had de bevolking alleen min of meer fraaie kisten in huis om spullen in op te bergen.
Het enige overige meubilair was een driepoot krukje, een blad op schragen dat diende als tafel. In sommige gevallen was er ook een zwaar uitgevallen stoel die leek op een kist met hoge rug en zijkanten.
De meubelen uit de zestiende en begin van de zeventiende eeuw zijn in Renaissance stijl vervaardigd.
Dat is een stijl die gebaseerd is op de architectuur van de oude Romeinen.
Deze wedergeboorte van de Klassieke stijl heeft als basis de gulden snede (een perfecte verhouding) en de belangrijke “zuilenorden” zoals de Korinthische, Ionische en Dorische zuilen.
Meestal worden nieuwe stijlen eerst in de architectuur toegepast en pas later in de meubelkunst.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw tot het begin van de achttiende eeuw staan de meubelen onder de Barok invloed. Deze bombastische stijl met veel engeltjes, krullen en gekleurd stucwerk met goud, kwam uit Italië overgewaaid. Het is een stijl waarmee allereerst in opdracht van de Katholieke kerk de kathedralen overdadig versierd werden, immers het huis van God.
De Barok was een reactie op de versobering die het Protestantisme had ingezet. In Noord-Europa is deze Barok stijl nooit zo uitbundig geworden.
Bij de meubelen kenmerkt zich dit door ronde vormen, gecontourneerde randen en het gebruik van diverse houtsoorten in één meubel, waarbij voor het eerst intarsia en marqueterie (inlegwerk) gebruikt werden.
Ook worden vanaf deze tijd de gegoten bronzen versieringen populair.

Deze stijl zet zich voort in de achttiende eeuw, die vooral onder invloed van de Franse koningen en Napoleon stonden. Deze ontwikkeling zorgt voor een aantal nieuwe stijlen.

Allereerst is daar de Lodewijk XIVde (Louis quatorze) stijl, van de zonnekoning, die vanaf het vierde kwart van de zeventiende eeuw zijn invloed heeft doen gelden. Met name door de bouw en inrichting van zijn paleis in Versailles door architect Charles le Brun.
Deze stijl heeft als kenmerkt symmetrie in de vorm en versiering, waarbij schelpmotieven en C-ornamenten de belangrijkste versieringselementen zijn. De meubelen zijn verder versierd met bronzen, vuur vergulde ornamenten en vele fineersoorten, vaak van tropische hardhout. De zitmeubelen worden gestoffeerd, zijn lager, breder en met een hoge rug voor meer comfort. Voor het eerst zijn commodes en consoletafels te zien. Het intarsia maakt plaats voor marqueterie onder invloed van de Boulle techniek waarbij niet alleen tropisch hout, maar ook tin, schildpad, messing en zilver werd toegepast.

De Lodewijk XIVde stijl gaat rond 1720 langzaam over in de zogenaamde Régence stijl.
De zware ornamenten van de Lodewijk XIVde stijl worden luchtiger en de ornamenten en het meubel lopen in één lijn met elkaar door.
Tijdens de regering van Lodewijk XV (Louis quinze) rond 1750, worden de meubelen frivoler. Deze Lodewijk XVde stijl, ook wel Rococo genoemd , vindt men in het tweede en derde kwart van de achttiende eeuw.
Het wordt in plaats van een paleis-stijl een salon-stijl. Het is een vloeiend lijnenstel waarbij het meubel opgaat in de siervorm. Het wordt een ornament op zich.
Bij de stoelen lopen de rug en zijkanten vloeiend in elkaar over. De bergère en de chaise longue worden populair.
Kenmerkend is de asymmetrie in alle vormen. Ook Chinese motieven, de Chinoiserie is populair.
Als reactie op deze frivole stijl komt de Lodewijk XVIde (Louis seize) stijl, aanvankelijk naast het Rococo, maar spoedig verdringt het de gebogen lijnen en zien we strakke, rechthoekige opbouw met elementen en versieringen uit de Klassieke oudheid. Deze periode wordt ook wel Classicisme genoemd.
De poten zijn rond en lopen taps toe en zijn gecanneleerd. De meubelen worden kleiner en marqueterie verdwijnt grotendeels.
Het mahoniehout wordt zeer populair als meubelhout.

Na de Franse Revolutie en in het tijdperk van keizer Napoleon worden de meubelen steeds stijver en blokkeriger.
Het is de Empire periode van 1800 tot 1820.
In de gegoten bronzen en vuur vergulde ornamenten dienen alleen nog versieringen uit de Klassieke oudheid, van met name de Egyptenaren als voorbeeld.

In de negentiende eeuw worden de Gilden afgeschaft en wordt de meubelmakerij langzaam fabrieksmatig.

In het tweede kwart van de negentiende eeuw ontstaat er een burgerlijke stijl Biedermeier genaamd. Aanvankelijk zijn het vereenvoudigde meubelen in Empire en Lodewijk XVIde stijl, maar dit gaat al spoedig over in alle mogelijke neostijlen. In de tweede helft van de negentiende eeuw bereiken deze neo-gotische, neo-renaissance en neo-barokke stijlen hun hoogte punt. Deze periode wordt ook wel Romantiek genoemd.

In Nederland is dit de Willem III stijl, in Engeland de Victoriaanse stijl, in Frankrijk Louis Philippe stijl.

Degene die de waardering maakt, de expert of taxateur, moet goed het verschil kunnen zien tussen deze negentiende eeuwse “kopieën” en de meubelen van de “’époque” (de oorspronkelijke stijlperiode). De waardes liggen namelijk ver uit elkaar.

In de twintigste eeuw zien we, onder invloed van de Jugendstil of Art Nouveau, meer en meer kunstzinnig gemaakte meubelen van prachtige tropische hardhoutsoorten met snijwerk van slingerende planten en bloemen.
In de periode hierna, 1910-1930, de Art Deco periode, worden de meubelen juist weer heel strak en simplistisch.

Onder deze noemer vallen Oosterse handgeknoopte tapijten uit Turkije, Iran (voormalig Perzië) , Afghanistan en Zuid-Rusland. Maar ook de geweven kleden zoals de kelims en de geborduurde kleden zoals de Susani’s vallen onder de noemer tapijten.
In Europa zien we geweven textiel,  vaak in zijde of linnen, welke onder andere voor wandbespanning of stoffering werd gebruikt.
Heel belangrijk zijn de tapisserieën, ook wel gobelins genoemd, die in ateliers in Frankrijk, Vlaanderen en Nederland werden geweven door middel van een vlak-weef techniek. Het zijn wandtapijten, tafelkleden of wapenkussens.
Vanaf  de negentiende eeuw werden tapisserieën machinaal gemaakt en ontstaat ook hier de serieproductie.

Hieronder vallen zowel Europees als Aziatisch aardewerk en porselein.
Dit kunnen hele serviezen zijn, maar ook een siervaas of gedenkbord.
In Europa hebben we lange tijd alleen objecten van aardewerk of steengoed (een niet water doorlatende klei) gehad, omdat men niet wist hoe porselein gemaakt moest worden. Denk aan het bekende Delftse aardewerk en de uit Duitsland afkomstige steengoed baardman kruiken.
Pas in het begin van de achttiende eeuw werd hier, in Europa, het eerste porselein vervaardigd.
In Azië is al vanuit de oudheid heel veel met porselein gewerkt. eerst voor de binnenlandse markt en later voor de omliggende landen. Vanaf de zestiende eeuw werd er ook gewerkt voor de Europeanen die er met hun schepen kwamen. Dit wordt ook wel export porselein genoemd. Vooral China en in mindere mate Japan waren de leveranciers. Chinese pottenbakkers gingen zelfs in opdracht van Europeanen porseleinen objecten maken met Europese vormen en motieven, het zogenaamde Chine de Commande.

Onder schilderijen verstaan wij olieverf-schilderijen op doek of paneel. Maar ook aquarellen en gouaches vallen in deze categorie.
Tekeningen kunnen met zwart of gekleurd potlood gemaakt zijn, maar ook met houtskool of een combinatie van beide. Verder vallen de pentekeningen met Oost-Indische inkt hieronder.
Binnen de gedrukte voorstellingen kennen we etsen, gravures en steendrukken (litho’s). Kenmerkend hiervoor is dat er meestal meer dan één exemplaar is afgedrukt, ( het aantal blijft wel beperkt omdat de kwaliteit na veel drukken achter uit gaat).
Aan het eind van de negentiende eeuw werden nieuwe drukmethoden ontwikkeld waarmee eindeloos veel kopieën konden worden gemaakt. Dit was vooral bedoeld voor de boekuitgevers. Dit ging door middel van fotomechanisch printen of met typograveren.
In de vorige eeuw werd het zeefdrukken populair. Een goedkope manier om in hoge kwaliteit kunstwerken te vermenigvuldigen.

Onder glaswerk wordt alles verstaan wat van glas, loodglas of kristal is gemaakt.
Het oude, antieke glas is met de mond geblazen terwijl het glas uit de vorige eeuw ook in een mal gemaakt kan zijn.
Er zijn drinkglazen in allerlei soorten en maten, serviezen, karaffen, flessen alsmede objecten en sculpturen in glas gemaakt.
In de zeventiende en achttiende eeuw werd er niet alleen gegraveerd glas gemaakt, maar ook werden glazen met technieken gemaakt die afgekeken waren van de beroemde glasblazers uit Venetië en Murano. Hier noemt men dat façon de Venise.

Onder sculpturen worden verstaan beeldhouwwerken in hout, steen of ivoor en been.
Verder ook gegoten figuren in brons of metaallegering. Dat kunnen driedimensionale objecten zijn, de zogenaamde volsculpturen, of vlak reliëfs. Deze vlak reliëfs zijn tweedimensionale objecten gemaakt op een vlakke ondergrond en ondiep uitgestoken.
We zien zowel religieuze als profane voorstellingen en vaak is de Klassieke Oudheid als voorbeeld gebruikt. Ook Bijbelse voorstellingen komen veel voor, waarnaast er ook Heilige Beelden veelvuldig werden gemaakt.
In alle eeuwen zijn er sculpturen gemaakt naar de mode van die tijd. Beïnvloedt door de kerk of juist door de geschiedenis van Egypte, Griekenland of het Romeinse Rijk.
Kleine sculpturen zijn vaak geïnspireerd door de grote standbeelden bij paleizen of pleinen.

Is het zilver of pleet is vaak de vraag. Staan er zilvermerkjes op dan kan niet alleen vastgesteld worden dat het om een zilveren voorwerp gaat, maar ook wat het gehalte aan zilver is wat er voor gebruikt is. Verder is dan te zien uit welk land, uit welk jaar en van welke meester of werkplaats het voorwerp is.
Wanneer er sprake is van pleet, verzilverd dus, staan er ook vaak merkjes op. Dit zijn echter geen echte zilvermerken ook al lijken ze er soms op.
Vaak zie je bij pleet, doordat de dunne zilver laag eraf slijt, het metaal doorkomen waarop de zilver laag is aangebracht. Deze kan geel van kleur zijn (een messing legering) of het heeft een zilverkleur (Alpacca) die niet de fraaie glans heeft van echt zilver.
Er zit meestal een groot verschil in prijs tussen zilver en pleet.
Onder de noemer metalen valt smeed- en gietijzer, koper, brons, messing en tin. Het kunnen gebruiksvoorwerpen zijn die van deze metalen zijn gemaakt maar ook kunstvoorwerpen.
Brons en messing zijn legeringen van koper. Deze benamingen worden heel vaak door elkaar gehaald. Koper is rood van kleur en vrij zacht. Messing is geel van kleur en iets harder dan koper doordat er zink aan toegevoegd is. Brons is heel hard en wordt ook wel klokkenspijs genoemd omdat het vooral voor klokken is gebruikt. Het bestaat eveneens uit koper maar hier is er tin aan toegevoegd. Niet alleen klokken, maar ook vijzels en kanonnen werden van brons gegoten.
Uurwerken zijn tijd aanduiders. Ze komen in alle mogelijke vormen voor. Van een zakhorloge tot een grote staande klok. De uurwerken kunnen uiterst eenvoudig zijn tot zeer ingewikkeld, met carillons en bewegende figuren. Grofweg onderscheiden we de staande horloges, hangklokken zoals de staartklok en stoeltjesklok, de lantaarnklokken, koekoeksklokken, consoleklokken en pendules.